Terug naar nieuwsoverzicht

Vastgoed en Projectontwikkeling

Tijdelijke huisvesting in het onderwijs: wat moet je regelen?

15 oktober 2026

Nieuwbouw, verbouw of groot onderhoud van een schoolgebouw duurt jaren. In die periode moet het onderwijs gewoon doorgaan. Daarom is tijdelijke huisvesting vaak nodig, of het bestaande gebouw wordt nog een tijd langer gebruikt. Juist in die overgangsfase ontstaan geschillen tussen schoolbesturen en gemeenten. Wie mag een gebouw tot wanneer gebruiken? En wat gebeurt er als de nieuwbouw niet alle leerlingen kan opvangen? Een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam laat zien hoe groot de gevolgen zijn als afspraken over gebruik, vertrek en overdracht niet scherp zijn vastgelegd. Ben je als schoolbestuur, gemeente of andere partij betrokken bij onderwijshuisvesting? Dan geeft deze zaak je concrete aanknopingspunten.

Het geschil

De gemeente Nissewaard en een schoolbestuur sloten in 2020, samen met een ander schoolbestuur, een bestuurlijk akkoord. Daarin spraken zij de intentie uit om het mavo-onderwijs van twee scholen samen te voegen tot één school in één nieuw gebouw. In augustus 2022 volgde een overeenkomst. De gemeente garandeerde daarin de bekostiging van een nieuw schoolgebouw voor circa 600 leerlingen, bedoeld als vervanging van de huidige schoolgebouwen. Het schoolbestuur moest de percelen van de eerste school om niet, dus zonder vergoeding, in eigendom aan de gemeente leveren. Dat gebeurde op 14 september 2022. Na die levering behield het schoolbestuur het feitelijk gebruik van de gebouwen voor onderwijsdoeleinden tot de gebruiksklare oplevering van de nieuwbouw.

In 2024 vroeg het schoolbestuur vervangende nieuwbouw aan voor beide scholen. De gemeente kende die aanvraag toe als gezamenlijke voorziening, met een capaciteit van 700 leerlingen. In 2025 startte de bouw. Op 12 mei 2025 liet het schoolbestuur weten dat beide scholen zelfstandig verder zouden gaan. De ene school zou in de nieuwbouw komen, de andere zou in juli 2026 verhuizen naar een nieuwe locatie. De gemeente vond dat het schoolbestuur genoeg ruimte had, mede door ruimteoverschot in andere gebouwen. Zij vorderde in kort geding dat het schoolbestuur beide schoolgebouwen uiterlijk op 31 juli 2026 zou ontruimen. Ook vorderde zij medewerking aan de levering om niet van het tweede gebouw, zodat zij haar economisch claimrecht kon uitoefenen. Op die locatie wilde de gemeente twee basisscholen huisvesten die nu in verouderde gebouwen en kostbare noodruimtes zitten.

Het schoolbestuur voerde aan dat de overeenkomst het tweede gebouw niet noemde. Al voor de ondertekening was duidelijk dat de nieuwbouw te klein zou zijn voor alle leerlingen. Bij ontruiming zou er voor zeker 200 leerlingen geen onderwijsruimte zijn.

Wat besliste de rechter?

De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam deed op 8 mei 2026 uitspraak. De rechter was kritisch op het standpunt van het schoolbestuur met betrekking tot het tweede gebouw. Uit het bestuurlijk akkoord, de overeenkomst, de aanvraag voor vervangende nieuwbouw en het toekenningsbesluit volgde volgens de rechter dat beide partijen het gebruik van beide gebouwen wilden beëindigen. Zij handelden tot medio 2025 ook zo. Het standpunt van het schoolbestuur zag de rechter als een gelegenheidsargument, ingegeven door het dreigende ruimtegebrek. Wel liet de rechter open of de overeenkomst geldt als akte in de zin van artikel 6.20 lid 1 Wvo, omdat het tweede gebouw er niet uitdrukkelijk in stond.

Toch wees de rechter alle vorderingen af, om twee verschillende redenen. Voor het eerste gebouw had de gemeente geen belang bij haar vordering. Het was niet aannemelijk dat het schoolbestuur dat gebouw niet voor 31 juli 2026 zou verlaten. Voor het tweede gebouw gaf de belangenafweging de doorslag. Bij ontruiming voor zeker 200 leerlingen geen klaslokalen beschikbaar zouden zijn. Dat belang ging voor de deels financiële belangen van de gemeente. De basisscholen kampten namelijk niet met ruimtegebrek, maar zaten vooral in verouderde gebouwen.

De rechter merkte ook op dat beide partijen hun hakken in het zand hadden gezet. Van het schoolbestuur mocht worden verwacht dat het na het signaleren van het ruimtegebrek extra huisvestingsruimte had aangevraagd of voorzieningen had getroffen op andere locaties, ook als dat een verbouwing betekende. Van de gemeente mocht worden verwacht dat zij, mede gelet op haar wettelijke taken, het schoolbestuur niet eenzijdig zou opzadelen met de (financiële) gevolgen van het ruimtegebrek dat al in 2025 was geconstateerd en dat zij eerder had gezocht naar een tijdelijke oplossing. De rechter benadrukte dat het schoolbestuur hiermee geen recht krijgt op blijvend gebruik. Partijen moeten hun afspraken, zo nodig aangepast, nakomen en zorgen voor voldoende huisvesting voor leerlingen.

Wat betekent dit voor jouw organisatie?

De les reikt verder dan deze ene zaak. Een intentie in een bestuurlijk akkoord en gedrag in de jaren daarna kunnen bepalen hoe een rechter een latere overeenkomst uitlegt. Tegelijk biedt een duidelijke intentie geen garantie dat een gemeente een gebouw op het gewenste moment vrij krijgt. Het feitelijke huisvestingsbelang van leerlingen kan zwaarder wegen. Voor gemeenten laat deze uitspraak zien dat een ontruimingsvordering zonder tijdelijk alternatief kwetsbaar kan zijn, zeker in kort geding. Voor schoolbesturen betekent het dat je een ruimtegebrek tijdig en via de juiste route moet melden, in plaats van afspraken achteraf ter discussie te stellen.

Begin daarom bij de afspraken zelf. Leg vast tot wanneer het gebruik van het gebouw doorloopt en wat er gebeurt als de nieuwbouw later wordt opgeleverd. Koppel het vertrekmoment aan de oplevering en bepaal hoe je omgaat met afwijkende leerlingprognoses. Ga het gesprek aan voordat posities verharden. Een kort geding blijft mogelijk, maar de rechter weegt dan de feitelijke gevolgen voor leerlingen zwaar mee en kijkt kritisch naar wat beide partijen zelf hebben gedaan om het probleem op te lossen.

Hoe zorgt TK ervoor dat je verder kunt?

TK begeleidt schoolbesturen en gemeenten in de complexe vraagstukken op het gebied van onderwijshuisvesting. Wij beoordelen bestaande bestuurlijke akkoorden en overeenkomsten op hiaten, stellen heldere afspraken op over gebruik, overdracht en tijdelijke huisvesting en adviseren over het economisch claimrecht van artikel 6.20 Wvo. Ontstaat er toch een geschil, dan begeleiden wij je in het overleg en, als dat nodig is, in de procedure.

Sta je voor nieuwbouw, verbouw of tijdelijke huisvesting van een onderwijslocatie en wil je weten of jouw afspraken stevig genoeg zijn? Neem contact op met Shannon, Simon of met één van de andere professionals uit ons vastgoedteam. Wij denken graag met je mee over een oplossing die juridisch klopt en in de praktijk werkt.

Event

Meer weten over wat er richting 2027 verandert in de onderwijshuisvesting? Tijdens ons event 'Steengoed geregeld?' op 24 november praten Shannonen Simon je bij over de belangrijkste ontwikkelingen in de onderwijshuisvesting richting 2027. Daarbij gaan zij onder meer in op het verplichte IHP, de samenwerking tussen gemeenten en schoolbesturen en vraagstukken rond bekostiging. Deelname is kosteloos.