Terug naar nieuwsoverzicht

Discriminatie leerling in openbaar onderwijs

03 februari 2026

Een openbare school wil een veilige, toegankelijke en inclusieve leeromgeving bieden. In de dagelijkse praktijk botsen belangen soms, bijvoorbeeld als leerlingen in pauzes of tussenuren ruimte zoeken om te bidden. Een recent oordeel van het College voor de Rechten van de Mens laat zien hoe snel een beroep op neutraliteit en gelijkheidsdenken kan omslaan in direct verboden onderscheid op grond van godsdienst. Daarbij is vooral relevant dat het College het bewijsvermoeden toepast. Als een leerling feiten aanvoert die discriminatie kunnen doen vermoeden, verschuift de bewijslast naar de school.

Artikel 23 Grondwet als achtergrond, en waarom dat juist zorgvuldigheid vraagt

In discussies over religieuze uitingen op school wordt vaak verwezen naar het openbare karakter van de school. Artikel 23 van de Grondwet vormt daarbij een belangrijk vertrekpunt. Dit artikel waarborgt de vrijheid van onderwijs en legt voor het openbaar onderwijs vast dat het onderwijs door de overheid wordt verzorgd en geregeld, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging.

Die constitutionele achtergrond ondersteunt het neutrale karakter van openbaar onderwijs, maar neutraliteit betekent niet dat religie uit de school moet verdwijnen. Neutraliteit gaat over de overheid die zich niet met één levensbeschouwing vereenzelvigt en over gelijke toegankelijkheid voor alle leerlingen. Juist daarom moet je als openbaar schoolbestuur zorgvuldig motiveren en documenteren wanneer je ingrijpt bij een religieuze uiting of wanneer je een voorziening, zoals een stilteruimte, wel of niet inricht. De ruimte die artikel 23 geeft, ontslaat niet van de plicht om gelijke behandelingswetgeving toe te passen.

Wat speelde er op het Haarlemmermeer Lyceum TTO

Een leerling met een islamitische geloofsovertuiging volgde onderwijs op het Haarlemmermeer Lyceum TTO, onder verantwoordelijkheid van Stichting Dunamare Onderwijsgroep. In het schooljaar 2022 tot 2023 wilde zij op school bidden. Omdat er geen stilteruimte was, zocht zij in pauzes en tussenuren steeds wisselende plekken in de school.

Een medeleerling startte een petitie voor een inclusieve stilteruimte. Die petitie werd 235 keer ondertekend. In een gesprek met leerlingen gaf de toenmalige rector aan dat bidden op school is toegestaan en dat de wens voor een inclusieve stilteruimte verder zou worden onderzocht. Uiteindelijk besloot de school geen stilteruimte in te richten.

In april 2024 werd de leerling tijdens het bidden in een open studieruimte onderbroken door de conrector. De leerling vroeg het College om te beoordelen of de school verboden onderscheid maakte door het bidden niet toe te staan en door het weigeren van een stilteruimte.

Eerst de drempel, toch inhoudelijk behandeld

De school voerde aan dat de leerling niet ontvankelijk was, omdat zij inmiddels niet meer stond ingeschreven. Het College ging daar niet in mee. Het belang bij erkenning van ervaren ongelijke behandeling in het verleden kan voldoende zijn om een verzoek inhoudelijk te behandelen. Voor schoolbesturen is dit een belangrijk signaal. Ook als een leerling de school heeft verlaten, kan een kwestie juridisch doorlopen en reputatie, governance en het interne veiligheidsbeleid raken.

Ingrijpen tijdens het bidden, en het bewijsvermoeden dat de bewijslast kantelt

De Algemene wet gelijke behandeling verbiedt onderscheid op grond van godsdienst bij het aanbieden van of het verlenen van toegang tot onderwijs. Het begrip godsdienst wordt ruim uitgelegd. Het omvat niet alleen de overtuiging, maar ook gedragingen die daar rechtstreeks uitdrukking aan geven, zoals bidden.

Het College kon niet als feit vaststellen dat er op school een algemeen verbod gold om te bidden, onder meer omdat verifieerbare vastlegging daarvan ontbrak. Toch kwam het College tot de conclusie dat sprake was van direct onderscheid. Vaststond namelijk dat de conrector in april 2024 ingreep op het moment dat de leerling aan het bidden was en haar meedeelde dat zij daar niet mocht bidden.

Daarmee had de leerling feiten aangevoerd die onderscheid konden doen vermoeden. Dan werkt het bewijsvermoeden van de Awgb en moet de school bewijzen dat zij niet in strijd met de wet heeft gehandeld. De school beriep zich op een ordentelijke doorgang en veiligheid, omdat de leerling de doorgang zou blokkeren. Het College vond die uitleg onvoldoende concreet. De school had niet overtuigend toegelicht dat de doorgang op dat moment daadwerkelijk werd geblokkeerd en dat direct ingrijpen onvermijdelijk was. Daarmee kon de school het vermoeden van onderscheid niet weerleggen en bleef overeind dat het bidden als godsdienstige uiting aanleiding was voor het ingrijpen. Dat is direct onderscheid.

De stilteruimte, en waarom een beroep op neutraliteit kan ontsporen

Het tweede onderdeel ging over het besluit om geen stilteruimte in te richten. De school lichtte toe dat het besluit vooral principieel was. De school wilde neutraal blijven en alle leerlingen gelijk behandelen. Een inclusieve stilteruimte zou daar volgens de school aan afdoen, omdat de verwachting was dat die ruimte in de praktijk vooral door islamitische leerlingen zou worden gebruikt en daarmee een privilege zou creëren.

Het College erkende dat een openbare school waarde kan hechten aan neutraliteit en gelijke behandeling, in lijn met de positie van openbaar onderwijs binnen artikel 23 Grondwet. Maar dat laat de toepasselijkheid van de gelijke behandelingswetgeving onverlet. Het College benadrukte ook een kernpunt dat in beleidsteksten vaak te weinig scherp wordt gemaakt. Uitdrukking kunnen geven aan een godsdienstige overtuiging is geen privilege, maar een fundamenteel recht.

Cruciaal was dat de school bij haar besluit expliciet verwees naar de islamitische geloofsovertuiging van islamitische leerlingen. Daarmee maakte de school volgens het College direct onderscheid op grond van godsdienst. Het College betrok ook dat het verzoek juist een inclusieve stilteruimte betrof, dus beschikbaar voor iedereen die daar op enig moment behoefte aan heeft.

Wat dit betekent voor jouw schoolbestuur en jouw beleid

Dit oordeel gaat niet alleen over de vraag of je als school een stilteruimte moet aanbieden. De kern is hoe je besluitvorming inricht en welke motivering je kiest. Als een maatregel of een weigering wordt gekoppeld aan één specifieke godsdienst, ontstaat al snel een bewijsvermoeden van verboden onderscheid. Hetzelfde geldt als medewerkers ingrijpen op het moment van een religieuze uiting zonder dat de noodzaak feitelijk kan worden onderbouwd.

De uitspraak laat ook zien hoe groot de rol is van dossieropbouw en eenduidige interne communicatie. Mondelinge toezeggingen, informele gesprekken en uiteenlopende boodschappen van medewerkers zijn achteraf lastig te reconstrueren. Als het College de feiten niet kan vaststellen, komt het aan op wat wel en niet is vastgelegd. Dat maakt het verschil tussen een verdedigbare veiligheidsinterventie en een niet te weerleggen vermoeden van direct onderscheid.

Van incident naar werkbaar beleid in de schoolpraktijk

Wil je dit soort risico's beheersbaar maken, begin dan met heldere kaders in de schoolgids en interne richtlijnen over godsdienstige uitingen in pauzes en tussenuren. Leg vast wie beslist, wie aanspreekt en op welke objectieve gronden ingrijpen mag. Koppel ingrijpen niet aan de religieuze uiting zelf, maar aan concrete omstandigheden zoals aantoonbare verstoring van de orde, een daadwerkelijk veiligheidsrisico of een feitelijk probleem met doorloop of toegankelijkheid.

Werk daarnaast uit hoe je praktische rust organiseert als bidden in vrije tijd is toegestaan. Dat kan door een plek aan te wijzen of een ruimte beschikbaar te stellen met duidelijke, voor iedereen geldende huisregels. Als je een stilteruimte wel of niet inricht, leg dan vooraf vast welke belangen je weegt en hoe je voorkomt dat de motivering gaat draaien om één specifieke groep of één specifieke religie.

Komt er een melding of klacht, organiseer snel hoor en wederhoor en leg de feiten direct vast. Noteer wie wat heeft gezegd, wat er precies gebeurde op de locatie, welke alternatieven zijn besproken en waarom een maatregel op dat moment noodzakelijk was. Juist als je je beroept op veiligheid of doorloop, moet je dat kunnen onderbouwen met concrete waarnemingen.

Hoe zorgt TK ervoor dat je verder kunt?

TK helpt schoolbesturen en onderwijsinstellingen om beleid rond neutraliteit, vrijheid van godsdienst, sociale veiligheid en gelijke behandeling juridisch scherp en praktisch uitvoerbaar te maken. We ondersteunen bij het opstellen en actualiseren van schoolgids, huisregels en klachtenroutes, bij training van teams in handelen en dossiervorming, en bij begeleiding in een traject bij het College voor de Rechten van de Mens.

Wil je toetsen of jouw aanpak rond bidden op school en een eventuele stilteruimte aansluit bij de Awgb en tegelijk past binnen de constitutionele context van artikel 23 Grondwet. Neem dan contact op met Carina de Bruin.