De Inspectie van het Onderwijs kan diep ingrijpen in jouw organisatie als de onderwijskwaliteit structureel tekortschiet. Niet alleen met herstelopdrachten of geïntensiveerd toezicht, maar ook met een afzonderlijk onderzoek naar het bestuurlijk handelen. Dat volgt uit een kortgedingvonnis van de Rechtbank Den Haag van 28 januari 2026.
Een schoolbestuur probeerde via de civiele rechter te voorkomen dat de Inspectie een aangekondigd onderzoek naar het bestuur zou uitvoeren. De rechter ging daar niet in mee. Voor bestuurders en toezichthouders in het onderwijs is dit een belangrijk signaal. Als de Inspectie meent dat het bestuur zelf onderdeel is van het probleem, krijgt zij veel ruimte om dat te onderzoeken.
Waar ging deze zaak over?
De zaak draaide om Stichting Islamitisch Onderwijs Nederland, bevoegd gezag van het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam. De school stond al geruime tijd onder verhoogde aandacht van de Inspectie. Volgens de Inspectie waren er al jaren ernstige en terugkerende tekortkomingen in de onderwijskwaliteit. Sinds 2022 stond de school onder geïntensiveerd toezicht en werden afdelingen herhaaldelijk als zeer zwak of onvoldoende beoordeeld. In juli 2025 volgden herstelonderzoeken waarin mavo en havo als zeer zwak werden aangemerkt en het vwo als onvoldoende. Ook werd een gedeeltelijke opschorting van de bekostiging ingezet.
Tegen die achtergrond kondigde de Inspectie in november 2025 aan dat zij in januari 2026 een incidenteel onderzoek zou uitvoeren naar het bestuurlijk handelen.
Wat is een onderzoek naar bestuurlijk handelen?
De essentie van dit type onderzoek is dat de Inspectie niet opnieuw de kwaliteit van lessen, resultaten of didactiek beoordeelt, maar onderzoekt of het bestuur zijn wettelijke verantwoordelijkheid waarmaakt. In het onderzoeksplan formuleerde de Inspectie als centrale vraag of het bestuur uitvoering geeft aan kwaliteitszorg en maatregelen treft die nodig zijn voor borging van de onderwijskwaliteit en de voortgang van het onderwijs. Daarbij verwees de Inspectie naar artikel 2.87 WVO 2020.
De Inspectie werkte dit uit in deelvragen over goed bestuur en intern toezicht, de zorg voor een ononderbroken ontwikkelingsproces en afstemming op de ontwikkeling van leerlingen, sturing op verbetering wanneer dat nodig is, en het zorgen voor een goed functionerende medezeggenschap.
Waarom het bestuur naar de civiele rechter stapte
Het bestuur stelde dat het onderzoek onrechtmatig was en misbruik van bevoegdheid opleverde. De kern van de bezwaren was dat de Inspectie met eerdere onderzoeken al alles wist en dat een nieuw onderzoek vooral neerkwam op onnodige druk. Ook werd aangevoerd dat vragen over governance en intern toezicht te veel zouden raken aan de vrijheid van onderwijs en dat de belasting voor de organisatie te groot was door het opvragen van veel documenten en het plannen van gesprekken met verschillende geledingen.
Het juridisch kader
De voorzieningenrechter benadrukte eerst dat de aankondiging van een onderzoek geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ('Awb'). Daardoor kon het bestuur hiertegen niet via de bestuursrechtelijke weg opkomen en was de civiele rechter als restrechter bevoegd.
Vervolgens schetste de rechter het constitutionele en wettelijke kader. Artikel 23 lid 2 Grondwet waarborgt de vrijheid van onderwijs, maar expliciet onder toezicht van de Inspectie. De Wet op het onderwijstoezicht ('Wot') geeft de Inspectie taken om de naleving van onderwijswetgeving te bewaken. Ook kan de Inspectie uit eigen beweging incidenteel onderzoek doen. De rechter kwalificeerde het aangekondigde onderzoek naar bestuurlijk handelen als zo'n incidenteel onderzoek op grond van artikel 15 Wot.
Veel ruimte voor de Inspectie, terughoudende toets door de rechter
Cruciaal is de mate van beoordelingsruimte die de rechter aan de Inspectie laat. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Inspectie een grote mate van beleidsvrijheid heeft bij de keuze om een incidenteel onderzoek te starten. Daarom toetst de rechter terughoudend. Alleen als de Inspectie in redelijkheid niet tot het besluit had kunnen komen, zou ingrijpen mogelijk zijn.
De rechter vond het begrijpelijk dat de Inspectie juist het bestuur wil onderzoeken omdat de onderwijskwaliteit langdurig en ernstig tekortschiet en eerdere verbeterplannen het tij niet hebben gekeerd. Dat eerdere onderzoeken veel contactmomenten met het bestuur omvatten, betekent niet dat de Inspectie daarmee al een volledig beeld heeft van het bestuurlijk handelen.
Geen misbruik van bevoegdheid en geen onderzoek naar de bekende weg
Het argument dat de Inspectie al genoeg wist en dus een "onderzoek naar de bekende weg" deed, hield geen stand. De rechtbank accepteerde dat het zorgvuldiger is om bestuurlijke vragen in een afzonderlijk onderzoek te onderzoeken, in plaats van deze te vermengen met lopende kwaliteitsonderzoeken.
Ook de inhoudelijke kritiek op de deelvragen werd verworpen. Dat governance op papier, bijvoorbeeld in statuten, voldoet aan wettelijke vereisten, sluit niet uit dat de Inspectie onderzoekt hoe dit in de praktijk werkt. Naleving moet blijken uit daadwerkelijke invulling.
Het verwijt dat de Inspectie op de stoel van het bestuur zou gaan zitten, werd niet gevolgd. De rechtbank achtte het bovendien niet onredelijk dat de Inspectie de medezeggenschap meeneemt. De Inspectie had toegelicht dat medezeggenschap openheid en overleg in de school bevordert en dat dit het onderwijskundig beleid en daarmee de verbetering van onderwijskwaliteit raakt.
Wat betekent dit concreet voor bestuurders en toezichthouders?
Voor onderwijsinstellingen is de praktische les helder. Als de Inspectie structurele tekortkomingen constateert en het vertrouwen verliest dat het bestuur effectief stuurt op herstel, kan zij de blik nadrukkelijk verleggen naar bestuur en intern toezicht. Dat onderzoek kan breed zijn.
Je moet er rekening mee houden dat de Inspectie niet alleen governance documenten wil zien, maar ook wil toetsen of de bestuurlijke werkelijkheid klopt met wat op papier staat. Denk aan verantwoordingslijnen tussen uitvoerend en toezichthoudend deel, de manier waarop kwaliteitszorg is ingericht, welke informatie het bestuur ontvangt, hoe signalen worden opgepakt en hoe besluiten worden vastgelegd en opgevolgd. De Inspectie kan daarnaast gesprekken plannen met schoolleiding, teamleiders, medezeggenschap, HR en leraren. Ook inzage in personeelsdossiers kan onderdeel zijn van het onderzoek.
De rechtbank accepteerde dat dit belastend kan zijn, maar vond dat het belang van verbetering van de onderwijskwaliteit zwaarder weegt.
Hoe bereid je jouw organisatie verstandig voor?
Wil je voorkomen dat een onderzoek naar bestuurlijk handelen je organisatie overvalt, dan begint dat met voorbereiding. Zorg dat jouw governance niet alleen formeel op orde is, maar ook aantoonbaar werkt in de praktijk. Dit vraagt om consistentie tussen statuten, reglementen, besluitvorming en de uitvoering in de school.
Het helpt als je als bestuur snel kunt laten zien hoe kwaliteitszorg is ingericht, hoe je bijstuurt bij risico's en tekortkomingen, hoe intern toezicht functioneert en welke rol de medezeggenschap in de praktijk heeft. Leg besluitvorming, monitoring en opvolging van herstelopdrachten zorgvuldig vast. Als de Inspectie om stukken vraagt, helpt het bovendien als je snel kunt verwijzen naar eerder aangeleverde documenten en beschikt over een compleet en logisch dossier.
Hoe zorgt TK ervoor dat je verder kunt?
TK kan je ondersteunen bij de voorbereiding en begeleiding van Inspectietoezicht en bij het inrichten van governance en kwaliteitszorg conform de WVO 2020 en de Wot. Ook kunnen wij met je meekijken naar het onderzoeksplan, de proportionaliteit van informatieverzoeken en de manier waarop jouw organisatie het beste kan reageren, zodat je regie houdt en tegelijk constructief meewerkt.
Meer informatie?
Heb je te maken met geïntensiveerd toezicht, herstelopdrachten of een aangekondigd onderzoek naar bestuurlijk handelen. Neem dan contact op met Carina de Bruin voor een praktische aanpak en juridisch advies dat past bij jouw organisatie.