Terug naar nieuwsoverzicht

Publiekrecht

Hoge Raad verduidelijkt en verscherpt toetsingskader overwegende bedenkingen tegen openbaar onderwijs

23 juni 2026

Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad het toetsingskader voor de vrijstellingsgrond van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969 (Lpw) verduidelijkt én verscherpt. De uitspraak (ECLI:NL:HR:2026:658) heeft directe gevolgen voor de uitvoeringspraktijk van gemeenten.

De procedure van artikel 5 onder b Lpw

Om de uitspraak goed te kunnen duiden, ga ik eerst in op de procedure van artikel 5 onder b Lpw. Ouders kunnen vrijstelling krijgen van de verplichting om het kind als leerling in te schrijven bij een school. De artikelen 5 en 5a Lpw bevatten in totaal vier gronden tot vrijstelling. Voor de hier besproken vrijstellingsgrond is noodzakelijk dat ouders tegen de richting van het onderwijs, op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen, 'overwegende bedenkingen' hebben.

De ouders die een beroep doen op vrijstelling dienen daarvan de gemeente in kennis te stellen. In de kennisgeving moet worden gemotiveerd waar de 'overwegende bedenkingen' tegen de richting van het onderwijs binnen redelijke afstand van de woning uit bestaan. De leerplichtambtenaar controleert of de kennisgeving voldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Belangrijk bij deze stap is om te beseffen dat de eventuele vrijstelling van rechtswege tot stand komt. Tegen het oordeel van de leerplichtambtenaar staat geen bezwaar of beroep open. Het beroep op de vrijstelling wordt dus niet getoetst door de bestuursrechter (ECLI:NL:RVS:2009:BH6321). Dit heeft tot gevolg dat alleen de strafrechter zich buigt over het oordeel van de leerplichtambtenaar.

Wanneer de leerplichtambtenaar van oordeel is dat de kennisgeving niet voldoet, zijn de ouders verplicht om het kind alsnog in te schrijven. Doen ouders dat niet, dan zendt de leerplichtambtenaar een proces-verbaal van zijn bevindingen aan de officier van justitie. Als de officier van justitie besluit tot vervolging over te gaan, is het vervolgens aan de strafrechter om te beoordelen of het beroep op de vrijstellingsregeling terecht is geweigerd.

In wat volgt schets ik beknopt de casus, de lijn van het hof en de beoordeling door de Hoge Raad aan de hand van het verduidelijkte en aangescherpte toetsingskader.

De casus

De zaak gaat over ouders die vrijstelling willen voor hun dochter, omdat zij 'overwegende bedenkingen' hebben tegen het openbaar onderwijs in de directe omgeving. De ouders ontlenen deze overwegende bedenkingen aan de Tasawwuf (het soefisme, een stroming binnen de islam). De ouders hadden, in de kern, drie bezwaren:

  1. openbaar onderwijs draagt door zijn neutraliteit niet de geloofsovertuiging van het kind uit
  2. door geen afstand te nemen van met het soefisme strijdige religies, zal de dochter hiermee in aanraking komen, met schade aan de spirituele ontwikkeling van de dochter tot gevolg en het risico dat zij mogelijk 'het paradijs niet binnengaat; en
  3. openbaar onderwijs is in strijd met het soefisme, omdat het soefisme een holistische, alomvattende levensovertuiging is waar geen ruimte is voor een scheiding tussen de geestelijke, cognitieve en sociale ontwikkeling van de dochter. De leerplichtambtenaar oordeelde dat de kennisgeving niet voldeed, omdat de ouders zich onvoldoende hebben georiënteerd op het onderwijsaanbod en de overwegende bedenkingen onvoldoende hebben geconcretiseerd.

Oordeel van het gerechtshof

Het gerechtshof Amsterdam volgt op 22 oktober 2024 het oordeel van de leerplichtambtenaar: de door de ouders aangevoerde overwegende bedenkingen tegen het openbaar onderwijs zijn onvoldoende gemotiveerd. Voor het hof staat voorop dat het openbaar onderwijs zich kenmerkt door levensbeschouwelijke neutraliteit. Openbare scholen laten de spirituele ontwikkeling van leerlingen aan de ouders.

Het hof oordeelt dat de ouders hebben nagelaten concreet te maken op welke wijze de (geloofs)ontwikkeling van hun dochter wordt geschaad op het moment dat zij op een openbare school met andere geloofsovertuigingen bekend zou raken. De onderbouwing van de ouders dat hun dochter daarvan in de war raakt, dat de dochter zich steeds zou moeten verantwoorden voor namen, woorden, ideeën en opvattingen vanuit huis en dat de dochter zonder het juiste onderwijs 'het paradijs niet binnen zal gaan', zijn onvoldoende concreet. De richtingsbedenkingen van de ouders zijn gericht tegen het (openbaar) onderwijs als zodanig. Daarmee zijn de 'overwegende bedenkingen' onvoldoende concreet gericht op (de inhoud van) het onderwijs dat in de nabije omgeving voorhanden is en sluiten de ouders iedere vorm van onderwijs uit, behalve onderwijs in de eigen specifieke leer van de Tasawwuf. Ook de stelling dat openbare scholen de intentie ontbreekt om een autoritaire opstelling naar leerlingen zoveel mogelijk te voorkomen is onvoldoende concreet en zwaarwegend.

De ouders hebben daarnaast naar het oordeel van het hof onvoldoende onderzocht in hoeverre er op de openbare scholen in de nabije omgeving ruimte is voor de specifieke wensen van de ouders ten aanzien van het onderwijs. Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat de ouders geen beroep toekomt op de vrijstelling van artikel 5, aanhef en onder b Lpw.

Het verduidelijkte en aangescherpte toetsingskader van de Hoge Raad

Het oorspronkelijke, in de jurisprudentie ontwikkelde, toetsingskader was als volgt. Voor een geslaagd beroep op de vrijstelling van artikel 5, aanhef en onder b, Lpw moesten (1) de aangevoerde bedenkingen voortkomen uit ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welomschreven godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Deze bezwaren moesten (2) betrekking hebben op de richting van het onderwijs en (3) voldoende concreet en zwaarwegend zijn; dat laatste vereist dat zij daadwerkelijk zien op het onderwijs zoals het in de praktijk wordt aangeboden.

Voor het openbaar onderwijs scherpt de Hoge Raad het toetsingskader nu aan. Van overwegende bedenkingen kan geen sprake zijn voor zover de bezwaren zijn gericht tegen het onderwijs dat niet van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard is. Ook voor bezwaren tegen neutrale kennisoverdracht over uiteenlopende godsdienstige, levensbeschouwelijke of maatschappelijke opvattingen, geldt dat dit geen overwegende bedenkingen zijn, tenzij concreet kan worden aangetoond dat deze overdracht niet objectief, kritisch en pluralistisch plaatsvindt.

De Hoge Raad heeft de lat daarmee hoger gelegd: een beroep op de vrijstelling slaagt ten aanzien van openbare scholen alleen nog als vaststaat dat álle openbare scholen binnen redelijke afstand tekortschieten in objectieve, kritische en pluralistische kennis- en informatieoverdracht op godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk vlak. De rechter kan het beroep afwijzen zodra niet aan één van de vereisten is voldaan; een verdere toetsing hoeft dan niet.

Dit betekent dat overwegende bedenkingen tegen uitsluitend de neutrale richting van het openbare onderwijs onvoldoende zijn voor een beroep op de vrijstellingsgrond.

Conclusie

Volgens de Hoge Raad heeft het gerechtshof terecht geoordeeld dat de verdachte geen aanspraak kan maken op de vrijstelling van de leerplicht. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof juridisch juist en voldoende is onderbouwd. De klachten tegen de uitspraak van het hof zijn dan ook verworpen.

Hoe zorgt TK ervoor dat je verder kunt?

TK adviseert gemeenten en leerplichtambtenaren bij vraagstukken rondom de uitvoering van de Leerplichtwet 1969, de beoordeling van vrijstellingskennisgevingen en bestuurlijke handhaving van de leerplicht.

Meer informatie?

Wil je weten hoe dit arrest doorwerkt in jouw uitvoeringspraktijk, of heb je vragen naar aanleiding van de uitspraak van 21 april 2026? Neem dan contact op met Simon Maertzdorf of één van de andere professionals uit ons team Publiekrecht. We denken graag met je mee.