De grootaandeelhouder die medeoprichter was, ontslagen als bestuurder en vervolgens aan het kortste eind trekt in de uittredingsprocedure: de Ondernemingskamer scherpt in deze beschikking de lat aan voor wie via artikel 2:343 BW wil uittreden.
De zaak
Mama Giraffe B.V. is de houdstermaatschappij van de Green Giraffe Group, een internationaal opererend bedrijf gespecialiseerd in advies, financiering en ontwikkeling van projecten op het gebied van de energietransitie. De vennootschap is in 2019 opgericht als moedermaatschappij na een herstructurering van de groep. Aandeelhouders zijn onder meer de medeoprichters, elk via hun persoonlijke houdstervennootschappen, en de Japanse bank Daiwa houdt indirect 50% in twee dochtervennootschappen.
De verzoekende partij is de persoonlijke houdstervennootschap van een van de medeoprichters en, tot zijn ontslag op 29 juli 2025, tevens bestuurder van Mama Giraffe. Hij hield op het moment van de procedure 23,80% van de gewone aandelen en was daarmee de grootste individuele aandeelhouder.
De kiem van het conflict ligt in 2022. De aandeelhoudersvergadering besloot toen dat de medeoprichter zich zou richten op de opzet van een nieuw investeringsfonds, Virida, en afstand zou nemen van de dagelijkse leiding. In de notulen werd opgetekend dat mensen die naar het fonds overstapten gedurende een beperkte periode hun positie in de groep teruggegarandeerd kregen.
Eind 2024 kwamen de resultaten van de dochterondernemingen onder druk te staan en raakte Virida zonder externe financiering. In januari 2025 liet een medebestuurder per e-mail weten dat er geen rol meer was voor de medeoprichter als manager en dat de managementovereenkomst zou worden beëindigd op een wijze die kwalificeerde als een compulsory offer event in de zin van artikel 4.5.1 van de aandeelhoudersovereenkomst (SHA).
De partijen traden in onderhandeling. Op 21 maart 2025 lag er een door alle aandeelhouders goedgekeurde deal proposal: verkoop van een deel van de aandelen aan Mama Giraffe, omzetting van de rest in stemrechtloze aandelen, directe betaling van circa 1,75 miljoen en overdracht van Virida aan de medeoprichter.
De concept-vaststellingsovereenkomst die daarna werd gepresenteerd bleek voor de medeoprichter niet ver genoeg te gaan. Hij bracht herhaaldelijk wijzigingen aan, soms aangeduid als "deal breaker", steeds op "non-binding" basis. De wederpartij waarschuwde meermalen dat de voorstellen niet acceptabel zouden zijn. Op 6 juni 2025 werd de Virida-transactie afgerond. Twaalf dagen later werd de managementovereenkomst opgezegd. Op 20 juni 2025 deelde een medebestuurder mee dat de verdere onderhandelingen niet zouden worden voortgezet.
Op 29 juli 2025 nam de aandeelhoudersvergadering met twee derde meerderheid het besluit tot ontslag van de houdstervennootschap als bestuurder van Mama Giraffe. Een stemming over het compulsory offer event werd aangehouden vanwege de onomkeerbaarheid van zo'n besluit. Bij vonnis van 5 februari 2026 oordeelde de voorzieningenrechter in kort geding al dat geen vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen. Op 24 december 2025 had de houdstervennootschap de Ondernemingskamer verzocht haar medeaandeelhouders te bevelen de aandelen over te nemen tegen een koopprijs van 19.599.241 euro, dan wel na deskundigenonderzoek, met toepassing van een billijke verhoging.
De rechtsvraag
De centrale vraag is of de houdstervennootschap door gedragingen van Mama Giraffe en/of de aandeelhouders zodanig in haar rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd, zodat uittreding op grond van artikel 2:343 lid 1 BW gerechtvaardigd is.
De houdstervennootschap stelde dat haar een terugkeergarantie was toegezegd, dat zij aanspraak had op een vergelijkbare vertrekregeling als een eerder vertrokken medeoprichter, dat de deal proposal een bindende afspraak was waaraan ten onrechte geen uitvoering was gegeven en dat de onderhandelingen in een niet aan haar meegedeelde vergadering in Londen abrupt waren afgebroken.
Het oordeel
De Ondernemingskamer wijst het verzoek af bij beschikking van 9 juli 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1872, te raadplegen via uitspraken.rechtspraak.nl).
Het toetsingskader van artikel 2:343 lid 1 BW omvat drie cumulatieve criteria: het gedragscriterium, het schadecriterium en het redelijkheidscriterium. De Ondernemingskamer doorloopt de eerste twee en laat het derde onbesproken.
Het gedragscriterium
De Ondernemingskamer stelt vast dat de gestelde terugkeergarantie en de aanspraak op een gelijkwaardige vertrekregeling onvoldoende zijn onderbouwd en niet uit de stukken blijken. De notulen van de aandeelhoudersvergadering van 6 oktober 2022 bieden daarvoor geen grondslag, ook omdat de periode waarop die toezegging betrekking had al ruimschoots was verstreken.
Ten aanzien van de deal proposal overweegt de Ondernemingskamer dat niet aannemelijk is geworden dat de onderhandelaars aan de zijde van Mama Giraffe optraden als gevolmachtigden of vertegenwoordigers van het bestuur of de aandeelhouders. De deal proposal leidde alleen tot een concept-vaststellingsovereenkomst als startpunt voor verdere onderhandeling. De houdstervennootschap bracht zelf wijzigingen aan op "non-binding" basis, erkende daarmee dat er nog geen overeenstemming was en werd bij herhaling gewaarschuwd dat haar voorstellen niet acceptabel zouden zijn.
Het abrupte einde van de onderhandelingen na de closing van de Virida-transactie op 6 juni 2025 noemt de Ondernemingskamer "onverhoeds". De aandeelhouders hebben ter zitting niet bevredigend kunnen verklaren waarom zij direct daarna de onderhandelingen staakten en ook niet waarom zij het aanbod van de medeoprichter om de concept-VSO in de meest recente versie van de aandeelhouders te aanvaarden, niet accepteerden. De Ondernemingskamer acht die houding echter onvoldoende ernstig om te kunnen spreken van gedragingen die het aandeelhouderschap onhoudbaar maken.
Het schadecriterium
Zelfs als het gedragscriterium anders zou zijn beoordeeld, wijst de Ondernemingskamer ook op dit punt af. Het resultaat van het mislukken van de onderhandelingen is dat de houdstervennootschap in dezelfde contractuele positie verkeert als alle andere aandeelhouders: gebonden aan de SHA. Die overeenkomst voorziet afhankelijk van de stemverhoudingen in gefaseerde inkoop via de cash sweep-regeling of in conversie naar stemrechtloze aandelen met behoud van dividendrecht. De houdstervennootschap was als oprichter bij de totstandkoming van die bepalingen betrokken en heeft de overeenkomst als contractspartij aanvaard. Dat andere aandeelhouders gunstigere vertrekregelingen kregen, is evenmin een gedraging in de zin van artikel 2:343 lid 1 BW; hetzelfde geldt voor het verzoek tot aandelenoverzetting, dat zijn grondslag rechtstreeks vindt in de SHA.
Nu het gedragscriterium en het schadecriterium geen toewijzing dragen, laat de Ondernemingskamer het redelijkheidscriterium buiten beschouwing. De houdstervennootschap wordt veroordeeld in de proceskosten: 4.721 euro aan de zijde van Mama Giraffe en 4.721 euro aan de zijde van de aandeelhouders.
Gevolg voor de praktijk
Deze uitspraak bevestigt dat de drempel voor uittreding via artikel 2:343 BW hoog blijft, ook als onderhandelingen moeizaam verlopen en de exitpositie van de verzoeker er ten opzichte van medeaandeelhouders ongunstig uitziet.
Twee lessen springen eruit. Ten eerste telt een deal proposal niet als overeenkomst zolang partijen de onderhandelingen zelf als "non-binding" betitelen en de verzoekende partij zelf inhoudelijke wijzigingen blijft doorvoeren. Het verlies van gerechtvaardigd vertrouwen is dan moeilijk vol te houden. Ten tweede biedt de enkele constatering dat aandeelhouders onderhandelingen abrupt afbreken zonder overtuigende toelichting, niet voldoende grond voor uittreding als het resultaat van dat afbreken is dat de contractuele spelregels gewoon van toepassing blijven, spelregels die de verzoeker zelf heeft aanvaard en mee heeft opgesteld.
Voor aandeelhouders die een exitgeschil verwachten: zorg dat toezeggingen over terugkeer of vertrekregelingen schriftelijk en ondubbelzinnig zijn vastgelegd. En let op de vertegenwoordigingsbevoegdheid: onderhandelaars die namens een vennootschap spreken zonder dat hun bevoegdheid kenbaar is geborgd, binden die vennootschap niet automatisch.
Wat je kunt doen
Overweeg je als aandeelhouder uittreding, of sta je als vennootschap of medeaandeelhouder een uittredingsverzoek te wachten? Dan loont het om vooraf de sterkte van je positie te toetsen aan de drie criteria van artikel 2:343 BW: de gedragingen, de schade en de redelijkheidsvraag. Wij denken graag mee over de onderbouwing van je verzoek of je verweer, de uitleg van een aandeelhoudersovereenkomst en de vraag of onderhandelingsgedrag juridisch relevant is voor een uittredingsprocedure.
Meer informatie?
Neem contact op met Michiel of één van de andere professionals uit het team Corporate & Commercial Litigation.