Terug naar nieuwsoverzicht

Corporate & Commercial Litigation

Faillissement als wapen in een fondsstrijd: het hof trekt een grens

10 september 2026

Een faillissementsverzoek met een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis op zak lijkt een stevige troef. Toch wees het Gerechtshof Amsterdam dit verzoek af -- omdat de context waarbinnen het werd ingediend, het middel onevenredig maakte.

De zaak

Een commanditaire vennootschap (CV) die in 2003 werd opgericht als beleggingsfonds voor een bedrijfspand in Leiden, raakte in zwaar weer. In 2014 werd de fondsbeheerder gewisseld, werden nieuwe opbrengstverdelingsafspraken gemaakt zonder instemming van de stille vennoten en dreigde de bank de lening op te zeggen. In februari 2022 werd het pand met winst verkocht. De opbrengst werd verdeeld op basis van de in 2014 gemaakte afspraken. Daarna ontstond onder participanten onrust over die verdeling.

In augustus 2022 richtten participanten een nieuwe vennootschap op om als beherend vennoot van de CV op te treden. Een participantenvergadering keurde die benoeming met grote meerderheid goed. De (inmiddels in liquidatie verkerende) oorspronkelijke beherend vennoot betwistte dit. In een procedure bij de rechtbank Den Haag oordeelde de rechter in een tussenvonnis van 24 december 2025 dat de CV niet rechtsgeldig was ontbonden én dat de nieuwe beherend vennoot niet rechtmatig was benoemd; bij vervanging van de beherend vennoot was instemming van álle vennoten vereist.

In het eindvonnis van 6 mei 2026, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, veroordeelde de rechtbank Den Haag de nieuwe beherend vennoot tot terugbetaling van € 244.853,31 (in hoofdsom) aan de oorspronkelijke beherend vennoot. Dat bedrag had de nieuwe beherend vennoot, handelend als beherend vennoot van de CV, uit het Fonds laten uitgeven. De nieuwe beherend vennoot stelde hoger beroep in.

Vervolgens dienden de oorspronkelijke beherend vennoot en de CV op 22 mei 2026 een verzoek in bij de rechtbank Amsterdam tot faillietverklaring van de nieuwe beherend vennoot. De rechtbank Amsterdam wees dit verzoek op 3 juli 2026 af: het bestaan van steunvorderingen en de faillissementstoestand waren niet summierlijk vastgesteld. Appellanten gingen in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam.

De rechtsvraag

Artikel 6, derde lid, van de Faillissementswet (Fw) bepaalt dat een faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen, en -- bij een verzoek door een schuldeiser -- ook van het vorderingsrecht van die schuldeiser. Aan die eis van summierlijkheid is een lage bewijsdrempel verbonden: een snelle, globale toetsing zonder uitgebreid feitenonderzoek.

In dit hoger beroep lagen twee hoofdvragen voor. De eerste: kon naast de erkende vordering van € 244.853,31 ook de vereiste pluraliteit van schuldeisers worden aangetoond? De tweede: was het faillissementsverzoek, ingediend terwijl meerdere bodemprocedures tussen dezelfde partijen nog liepen, misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW?

Het oordeel

Het hof stelde niet ter discussie dat appellanten een opeisbare vordering hadden op de nieuwe beherend vennoot op grond van het vonnis van 6 mei 2026. De tweede vereiste van pluraliteit van schuldeisers bleek echter niet summierlijk aanwezig.

Appellanten voerden aan dat participanten in totaal 44 geldleningen hadden verstrekt ter financiering van juridische procedures, voor een gezamenlijk bedrag van € 158.500. Maar die leningen waren contractueel aangegaan met de CV als leningnemer, niet met de nieuwe beherend vennoot. Het hof oordeelde dat in het licht van het lopende geschil niet met voldoende zekerheid kon worden beoordeeld of die leningen daadwerkelijk vorderingen op de nieuwe beherend vennoot hadden opgeleverd. Dat hangt af van waar het geleende geld aan is besteed en wat contractspartijen daarover hebben afgesproken. Dat kon niet in een faillissementsprocedure worden uitgezocht.

Hetzelfde gold voor de overige door appellanten aangedragen steunvorderingen. De beweerde vordering wegens onrechtmatige beslagen liep stuk op het vereiste van een onherroepelijke uitspraak: volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2006:AV1559) staat de onrechtmatigheid van een beslag pas vast als er een onherroepelijk rechterlijk oordeel is over het niet-bestaan van het vorderingsrecht waarop het beslag was gebaseerd. Dat ontbrak -- het hoger beroep tegen het vonnis van 6 mei 2026 liep nog. De gestelde vordering wegens onbehoorlijk bestuur was evenmin summierlijk vast te stellen, nu die aansprakelijkheid niet eerder aan de orde was geweest en de fundamentele vraag naar de rechtmatigheid van de benoeming zelf nog onder de rechter was.

Daarmee was niet summierlijk gebleken van pluraliteit van schuldeisers.

Het hof voegde daar een zelfstandig dragende overweging aan toe. De faillissementsaanvraag speelde zich af tegen de achtergrond van een omvangrijk conflict over de afwikkeling van het Fonds, waarbij een groot aantal personen en rechtspersonen in diverse procedures was verwikkeld. Van externe schuldeisers -- schuldeisers die níét bij het conflict over de fondsverdeling betrokken waren -- was niet gebleken. In die situatie kwalificeerde het hof het aanvragen van het faillissement als een onevenredig middel: het faillissement zou de lopende procedures over de rechtmatigheid van de fondsverdeling bemoeilijken en daarmee de belangen van de andere partij te zeer schaden. In redelijkheid hadden appellanten van het verzoek moeten afzien.

Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2026 en veroordeelde appellanten in de proceskosten in hoger beroep (€ 3.431).

Gevolg voor de praktijk

Deze uitspraak laat zien dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis als basis voor een faillissementsverzoek niet per definitie volstaat. Er zijn twee afzonderlijke struikelblokken.

Het eerste is de pluraliteitseis. In een complexe structuur - een fonds met tientallen participanten, meerdere vennootschappen en overlappende juridische aanspraken - is het aantonen van steunvorderingen verre van vanzelfsprekend. Vorderingen die intern worden aangedragen moeten contractueel aantoonbaar op de betreffende schuldenaar rusten. Dat een bedrag via een entiteit is gevloeid, is daarvoor niet genoeg.

Het tweede is de proportionaliteitstoets. Zelfs als aan alle formele vereisten van artikel 6 Fw is voldaan, kan de rechter het verzoek afwijzen als het faillissement een onevenredig middel is. Die toets speelt met name wanneer de schuldeiser en de schuldenaar al verwikkeld zijn in bodemprocedures die door een faillissement worden gehinderd, en er geen onafhankelijke externe schuldeisers zijn. Het faillissement verliest dan zijn karakter als collectief verhaalsinstrument en wordt, in de ogen van de rechter, louter een pressiemiddel.

Wat je kunt doen

Sta je in een situatie waarin een faillissementsverzoek als optie op tafel ligt - als aanvrager of als verweer - dan is het zinvol vooraf te beoordelen of aan alle vereisten van artikel 6 Fw kan worden voldaan én of het verzoek de proportionaliteitstoets doorstaat. Dat vereist een scherpe analyse van de bewijspositie rondom de steunvorderingen en van de bredere procedurele context.

TeekensKarstens denkt graag mee bij de strategische afweging rondom faillissementsverzoeken in complexe geschillen, inclusief de voorbereiding van het verzoek of het verweer daartegen.

Meer informatie?

Neem contact op met Michiel of één van de andere professionals uit het team Corporate & Commercial Litigation.