De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft gisteren een voor deomgevingsrechtpraktijk relevante knoop doorgehakt: voorrangsregels in een omgevingsplan zijn toegestaan. De Afdeling oordeelt dat deze figuur in overeenstemming is met artikel 22.6, eerste lid, van de Omgevingswet (Ow).
Dat klinkt technisch – en dat is het ook – maar de voorrangsregels zijn een belangrijke tool voorde planwetgever.
Het tijdelijke omgevingsplan
Op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, 1 januari 2024, zijn van rechtswege – kort gezegd – alle toen geldende bestemmingsplannen tezamen met overgangsrecht (de 'bruidsschat') gebundeld tot één omgevingsplan per gemeente. Daarbij is de opdracht gegeven aan gemeenten om dit tijdelijke samenraapsel te herschrijven tot één integraal definitief omgevingsplan.
De hobbel: artikel 22.6 Ow en het risico op een 'witte vlek'
Bij dat herschrijven stuiten gemeenten en adviseurs op artikel 22.6, lid 1 Ow. Deze bepaling regelt – kort gezegd – dat bij wijziging van een omgevingsplan de voor een locatie geldende regels uit een (voorheen) ruimtelijk plan alle tegelijk vervallen.
In de praktijk riep dat een prangende vraag op: Kun je wel een onderdeel van de regels voor een locatie aanpassen, zonder onbedoeld de rest weg te snijden? Of moet dan het gehele pakket aan regels opnieuw worden vastgesteld?
De vrees was dat een gedeeltelijke aanpassing ertoe zou kunnen leiden dat "wat er al was" in één keer verdwijnt, met als ongewenst effect een– ten dele –planologische witte vlek.
De voorrangsregel
De praktijk worstelt met deze bepaling en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft defiguur van devoorrangsregel aanbevolen. Met deze voorrangsregel wordt de nieuwe omgevingsplanregel zo geformuleerd dat het omgevingsplan niet wordt gewijzigd, maar de nieuwe regel aanvullend geldt. Bijvoorbeeld:
"De regels die gelden op de locatie uit de bestemmingsplannen, die onderdeel zijn van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, blijven gelden, zolang deze niet in strijd zijn met deze afdeling."
Daarmee wordt in de praktijk beoogd om het effect van artikel 22.6, lid 1 Ow teomzeilen.
Tot gisterenwas het echter nog onzeker of de voorrangsregelüberhaupt de toets van artikel 22.6, lid 1 Ow kan doorstaan. Een expliciete 'zegen' van de Afdeling ontbrak nog. Dat maakte de figuur kwetsbaar.
Met de uitspraak van gisteren (ECLI:NL:RVS:2026:1510 is die onzekerheid in belangrijke mate weggenomen. Hoewel er geen gronden zijn aangevoerd tegen de voorrangsregel, vindt de Afdeling het belangrijk voor de praktijk om hierover een knoop door te hakken.De Afdeling oordeelt dat de figuur van de voorrangsregel past binnen artikel 22.6, lid 1 Ow. Wel wordt benadrukt dat de voorrangsregel niet rechtsonzeker mag zijn of tot rechtsonzekere situaties mag leiden.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Deze uitspraak is vooral relevant voor gemeenten, planjuristen en adviseurs die gefaseerd werken aan het omgevingsplan. De voorrangsregel geeft meer ruimte voor stapsgewijze aanpassingen zonder dat meteen "alles" voor een locatie vervalt.
Voor wie werkt aan het omgevingsplan is dit een welkom signaal: de Afdeling maakt duidelijk dat de praktijkoplossing van de voorrangsregel juridisch kan landen binnen de systematiek van de Omgevingswet.
Meer informatie?
Heb je vragen over de toepassing van voorrangsregels – en in het bijzonder of een concrete voorrangsregel de toets van rechtszekerheid kan doorstaan – neem dan gerust contact op met Zerliene of één van