Terug naar nieuwsoverzicht

Corporate & Commercial Litigation

Geen aandelen, geen enquêterecht: wat je moet weten als contractspartij zonder aandeelhoudersbelang

In zakelijke samenwerking vertrouw je erop dat afspraken worden nagekomen. Maar wat als dat vertrouwen geschaad wordt en jouw bedrijf geen formele aandeelhoudersstatus heeft bij de onderneming waarover je zorgen hebt? Dan kan het verleidelijk zijn om via het enquêterecht bij de Ondernemingskamer een onderzoek te laten instellen naar het beleid en de gang van zaken bij die onderneming. Een recente uitspraak van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam maakt echter duidelijk dat dit pad meer obstakels kent dan menig bedrijf verwacht. Voor iedereen die samenwerkt op basis van een overeenkomst zonder directe aandeelhoudersbetrokkenheid is deze uitspraak een belangrijke wake-up call.

Wat is het enquêterecht en waarom is het relevant?

Het enquêterecht is een krachtig juridisch instrument waarmee bepaalde betrokkenen bij een vennootschap aan de Ondernemingskamer kunnen vragen een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van die vennootschap. De Ondernemingskamer kan bovendien onmiddellijke voorzieningen treffen, zoals de benoeming van een onafhankelijke bestuurder of de schorsing van het zittende bestuur. Dit maakt het enquêterecht tot een van de meest ingrijpende en effectieve instrumenten in het Nederlandse vennootschaps- en geschillenrecht.

De wet bepaalt wie bevoegd is een enquêteverzoek in te dienen. Op grond van artikel 2:346 lid 1 aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn dat onder andere houders van aandelen of certificaten van aandelen die een bepaald minimumbelang vertegenwoordigen. Een contractspartij die geen aandelen of certificaten houdt, staat in beginsel buiten die kring. Toch bestaat er rechtspraak op grond waarvan een dergelijke partij onder omstandigheden gelijkgesteld kan worden met een aandeelhouder of certificaathouder. De vraag wanneer die gelijkstelling geldt is in de praktijk allesbepalend.

De uitspraak: Ondernemingskamer 20 november 2025

In deze zaak had een besloten vennootschap (hierna: Wood) op basis van een samenwerkingsovereenkomst met de wederpartij gevraagd om een enquête bij twee vennootschappen. Wood hield zelf geen aandelen of certificaten van aandelen in die vennootschappen. De stichting administratiekantoor (StAK) hield alle aandelen in de ene vennootschap en de certificaathouder hield alle certificaten van die aandelen, alsmede alle aandelen in de andere vennootschap.

Wood baseerde haar enquêtegerechtigdheid op een samenwerkingsovereenkomst die zij in 2023 had gesloten en die nadien via meerdere addenda was gewijzigd. Volgens Wood waren er drie redenen waarom zij gelijkgesteld moest worden met een certificaathouder. Ten eerste had de certificaathouder contractueel 20% van zijn certificaten van aandelen aan Wood verkocht voor een koopprijs van één euro, als tegenprestatie voor de diensten die Wood diende te verrichten. Ten tweede diende er een pandrecht gevestigd te worden ten gunste van Wood op diezelfde certificaten. Ten derde stelde Wood een rekening-courantvordering op de vennootschappen te hebben.

De Ondernemingskamer verklaarde Wood niet-ontvankelijk in al haar verzoeken.

De kern van de redenering: gelijkstelling vereist meer dan een contractuele aanspraak

De Ondernemingskamer toetste de situatie van Wood aan de maatstaf die de Hoge Raad in 2014 formuleerde in de Slotervaartziekenhuiszaak. Die maatstaf houdt in dat de verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap dat vergelijkbaar is met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder, voor de toepassing van de wet gelijkgesteld kan worden met zo'n aandeelhouder of certificaathouder. Of die gelijkstelling daadwerkelijk aan de orde is, hangt af van alle concrete feiten en omstandigheden van het geval.

Bij Wood liep die toets op alle drie fronten stuk.

Het recht op levering van de certificaten was gebonden aan twee voorwaarden: de loan-to-value van het concern moest 60% of lager zijn en bepaalde derden, zoals financiers, moesten met de levering instemmen. Op het moment van de procedure werd aan geen van deze voorwaarden voldaan en het was bovendien onzeker of daaraan ooit voldaan zou worden. De Ondernemingskamer oordeelde dat Wood op basis hiervan hooguit in de toekomst mogelijk houder van certificaten zou kunnen worden, maar dat dit onvoldoende was voor gelijkstelling. Zolang de leveringsvoorwaarden niet vervuld zijn, worden de certificaten ook niet geacht voor rekening en risico van Wood te worden gehouden.

Over het pandrecht was het oordeel helder: er was feitelijk geen pandrecht gevestigd. Bovendien zou een gevestigd pandrecht op certificaten van aandelen sowieso geen grondslag bieden voor een enquêteverzoek, omdat de wettelijke bepaling (artikel 2:198 lid 4 BW) die pandhouders bepaalde rechten van certificaathouders toekent, alleen betrekking heeft op aandelen en niet op certificaten van aandelen. De contractuele verplichting om een pandrecht te vestigen was ook niet omgezet in een daadwerkelijk gevestigd pandrecht.

De rekening-courantvordering, ten slotte, wees de Ondernemingskamer kortweg af als grondslag voor gelijkstelling. Een niet-opeisbare en niet door zekerheden gedekte vordering kwalificeert simpelweg niet als risicodragend kapitaal.

Geen onaanvaardbare doorkruising van het enquêterecht

Wood voerde nog aan dat het weigeren van toegang tot het enquêterecht een onaanvaardbare doorkruising van dat recht zou opleveren. De Ondernemingskamer verwierp dat argument. Zij wees erop dat Wood bij de gewone civiele rechter nakoming van de samenwerkingsovereenkomst kan vorderen, inclusief nakoming van de contractuele informatieverplichtingen. Ook het verzoek om inzage in bepaalde documenten, gebaseerd op de artikelen 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dient bij de gewone civiele rechter te worden ingediend. De Ondernemingskamer benadrukte daarmee dat het enquêterecht een bijzonder rechtsmiddel is met een eigen, afgebakende kring van bevoegde verzoekers en dat die afbakening niet wordt uitgehold louter omdat een partij langs contractuele weg meent belangen te hebben.

Wat betekent dit voor jouw bedrijf in de praktijk?

Deze uitspraak raakt een situatie die in de praktijk regelmatig voorkomt: twee partijen gaan een zakelijke samenwerking aan waarbij de ene partij diensten verleent en de andere partij in ruil daarvoor (een deel van) haar onderneming deelt. Aandeelhouderschap of een belang in de vennootschap wordt dan contractueel beoogd, maar de feitelijke overdracht wordt uitgesteld of gekoppeld aan voorwaarden.

Zolang die overdracht niet heeft plaatsgevonden, staat jouw bedrijf in een juridisch kwetsbare positie als het gaat om corporate governance en zeggenschap. Je beschikt dan niet over de wettelijk erkende bevoegdheden die aandeelhouders of certificaathouders wel hebben, zoals het recht om een enquête te verzoeken. En zelfs als een pandrecht op aandelen of certificaten contractueel is bedongen maar nog niet gevestigd, biedt dat geen soelaas.

Dat betekent in de praktijk dat wanneer er iets misgaat binnen de vennootschap waarbij jij een belang hebt op basis van een overeenkomst, je voor de handhaving van jouw rechten bent aangewezen op het gewone contractenrecht. Je kunt nakoming van de overeenkomst vorderen, je kunt schadevergoeding eisen bij wanprestatie en je kunt via de civiele rechter informatie opeisen als die contractueel is toegezegd. Dat zijn reële routes, maar ze zijn wezenlijk anders dan een enquêteprocedure. Vertraging, bewijsproblemen en aansprakelijkheidsvraagstukken spelen dan een grotere rol.

De uitspraak maakt ook duidelijk dat het voor bedrijven die een belang in een andere onderneming beogen te verwerven van groot belang is om bij het sluiten van de overeenkomst scherp na te denken over welke rechten ze krijgen zolang de overdracht nog niet heeft plaatsgevonden. Wie in de praktijk wil kunnen meesturen of ingrijpen bij wanbeleid, doet er verstandig aan dat expliciet en afdwingbaar te regelen in het contract, en om de formele overdracht van aandelen of certificaten zo vroeg mogelijk te laten plaatsvinden in plaats van afhankelijk te maken van onzekere externe voorwaarden.

Welke stappen kun je nemen?

Als jouw bedrijf zich herkent in een situatie waarbij je een belang nastreeft in een vennootschap maar dat belang nog niet formeel is omgezet in aandeelhouderschap of certificaathouderschap, zijn er meerdere routes om jouw positie te versterken.

In de eerste plaats loont het de moeite om bestaande samenwerkingsovereenkomsten en aandeelhoudersakkoorden door te lichten op de vraag welke rechten jij daadwerkelijk hebt zolang aandelen of certificaten nog niet zijn overgedragen. Zijn er contractuele afspraken over informatie, zeggenschap of bestuursinvloed? En zijn die afspraken ook in juridische zin afdwingbaar? Dat klinkt als een formaliteit, maar het verschil tussen een contractuele aanspraak en een feitelijk gevestigd recht kan in een geschil het verschil betekenen tussen succes en niet-ontvankelijkheid.

In de tweede plaats is het raadzaam om bij het aangaan van nieuwe overeenkomsten stilte te staan bij de vraag hoe jij je belangen beschermt in het geval van wanbeleid of conflict. Denk daarbij aan het moment van overdracht, de gestelde voorwaarden, de wijze waarop zekerheidsrechten worden gevestigd en de vraag welke rechten je als contractspartij wilt hebben als het misgaat. Het tijdig laten vestigen van pandrechten, het vastleggen van informatieverplichtingen en het opnemen van geschilregelingen zijn concrete maatregelen die jouw positie aanzienlijk kunnen versterken.

In de derde plaats is het, als er al een conflict is ontstaan, van belang om tijdig te beoordelen welke procedure het meest kansrijk is. De Ondernemingskamer is een bijzondere rechter met een beperkte toegangspoort. De civiele rechter biedt in veel gevallen meer mogelijkheden dan vaak wordt aangenomen, zeker als de contractuele basis goed is. Denk ook aan kortgedingprocedures voor spoedeisende situaties of het vorderen van nakoming of schadevergoeding in een bodemprocedure.

Hoe TK kan helpen

De uitspraak van de Ondernemingskamer van 20 november 2025 laat zien hoe belangrijk het is om tijdig te beoordelen welke juridische weg openstaat en hoe je jouw contractuele positie goed inricht. Het team Corporate & Commercial Litigation van TK heeft diepgaande kennis van het vennootschapsrecht, het enquêterecht en het contractenrecht en begeleidt bedrijven en instellingen in complexe geschillen, zowel voor de gewone civiele rechter als voor de Ondernemingskamer.

Of het nu gaat om het doornemen van bestaande overeenkomsten, het adviseren over de aanpak van een dreigend conflict, het voeren van een procedure bij de civiele rechter of het verkennen van de mogelijkheden van het enquêterecht: TK denkt met jou mee en staat voor een aanpak die werkt. Van contractuele aansprakelijkheidsvraagstukken tot internationale geschilbeslechting en litigation, het team heeft de kennis en ervaring om jouw belangen effectief te behartigen.

Meer weten?

Heb je vragen over jouw positie als contractspartij, over de mogelijkheden van het enquêterecht of over de aanpak van een geschil met een vennootschap of medeaandeelhouder? Neem dan contact op met het team Corporate & Commercial Litigation. Zij helpen je graag verder.