De spanning tussen bescherming en bestuursautonomie
Als minderheidsaandeelhouder kun je het gevoel hebben dat je wordt gepasseerd bij ingrijpende besluiten. Een overname, een herstructurering of een liquidatie raakt jouw belang direct, terwijl de meerderheid de koers bepaalt. Het Nederlandse ondernemingsrecht biedt via het enquêterecht een belangrijk vangnet. Je kunt de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam vragen om een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van een vennootschap. Maar dat vangnet heeft grenzen. De recente uitspraak van de Ondernemingskamer in de zaak rond Crown Liquidation Co N.V. (voorheen Centogene N.V.) laat zien waar die grenzen liggen en wat je als aandeelhouder wél kunt doen om jouw positie te beschermen.
De zaak in het kort
De beschikking is gewezen op 4 december 2025 door de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2025:3540).
Centraal staat de vennootschap Centogene N.V., een in Nederland gevestigde houdstermaatschappij die alle aandelen hield in het Duitse Centogene GmbH. Dit Duitse bedrijf exploiteerde een wereldwijd toonaangevend laboratorium op het gebied van diagnostiek en behandeling van zeldzame ziekten door middel van genetisch onderzoek. Centogene N.V. was genoteerd aan de Amerikaanse effectenbeurs NASDAQ.
In het najaar van 2024 verkocht Centogene haar aandelen in Centogene GmbH aan Charme IV, een Europees private-equityfonds. Na afronding van deze transactie in maart 2025 werd Centogene N.V. omgedoopt tot Crown Liquidation Co N.V. en in liquidatie gebracht. Een groep minderheidsaandeelhouders, aangevoerd door Equicore Beteiligungs GmbH en de oorspronkelijke oprichter van het bedrijf, verzette zich tegen de gang van zaken. Zij verzochten de Ondernemingskamer om een enquête te gelasten en onmiddellijke voorzieningen te treffen, waaronder de benoeming van een onafhankelijke vereffenaar.
Zes bezwaren, geen gehoor
De minderheidsaandeelhouders legden zes gronden aan hun verzoek ten grondslag. Zij stelden dat de oproepingstermijn voor de aandeelhoudersvergaderingen te kort was. Daarnaast voerden zij aan dat de vennootschap ten tijde van de transactie geen bevoegd en volledig bestuur en raad van commissarissen had. Ook meenden zij dat hun belangen onvoldoende waren meegewogen, dat er geen deugdelijk financieel inzicht bestond, dat de informatievoorziening gebrekkig was en dat het bestuur niet behoorlijk had gefunctioneerd.
De Ondernemingskamer oordeelde op elk van deze punten dat er geen gegronde redenen waren om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken. Het enquêteverzoek werd afgewezen.
De oproepingstermijn: wettelijk correct, maar was het zorgvuldig?
Een eerste les uit deze uitspraak betreft de oproepingstermijn voor aandeelhoudersvergaderingen. Centogene hanteerde steeds een termijn van vijftien dagen, in lijn met de statutaire bepalingen en artikel 2:115 lid 1 BW. De minderheidsaandeelhouders beriepen zich op artikel 2:115 lid 2 BW, dat een langere termijn van tweeënveertig dagen voorschrijft. De Ondernemingskamer verwierp dit beroep, omdat die langere termijn alleen geldt voor vennootschappen die genoteerd zijn aan een gereglementeerde markt in de zin van de Wet op het financieel toezicht. NASDAQ valt daar niet onder.
Bovendien oordeelde de Ondernemingskamer dat de termijn van vijftien dagen niet in strijd was met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Daarbij woog mee dat de minderheidsaandeelhouders eerder wél bezwaar hadden gemaakt tegen deze termijn, maar na een toelichting op de aandeelhoudersvergadering van juni 2021 geen verdere actie hadden ondernomen. Ook voorafgaand aan de cruciale vergadering van december 2024 maakten zij geen bezwaar tegen het laten doorgaan van de vergadering.
Voor jouw bedrijf betekent dit: als je als aandeelhouder ontevreden bent over de wijze van bijeenroepen, is het zaak om dat bezwaar consequent en tijdig kenbaar te maken. Wie jarenlang berust, verliest op een kritiek moment de mogelijkheid om de oproepingstermijn als bezwaargrond in te zetten.
Bestuurssamenstelling: onvolledig maar niet onbevoegd
Een tweede belangrijk punt betreft de samenstelling van het bestuur en de raad van commissarissen. Ten tijde van het sluiten van de transactie in november 2024 bestond het bestuur uit twee personen. Op het moment van finalisering in maart 2025 restte nog slechts één bestuurder, terwijl de interne regels een minimum van twee bestuurders voorschreven.
De Ondernemingskamer oordeelde dat dit de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet aantastte. Op grond van artikel 19 lid 1 van de statuten was de overgebleven bestuurder bevoegd om de vennootschap te vertegenwoordigen bij de afronding van de transactie. Ook het feit dat de raad van commissarissen niet langer voldeed aan het eigen profiel (dat een meerderheid van onafhankelijke leden vereiste) maakte de besluitvorming niet ongeldig. De statuten bepaalden uitdrukkelijk dat de raad van commissarissen ondanks een onvolledige samenstelling bevoegd bleef om besluiten te nemen.
Dit is een relevante vaststelling voor de governance van jouw eigen vennootschap. Het onderscheid tussen interne beleidsregels (zoals board rules en profielen) en statutaire bevoegdheidsregels is cruciaal. Een overtreding van een interne regel maakt een besluit niet automatisch ongeldig als de statuten de bevoegdheid in stand laten. Dat neemt niet weg dat een goede naleving van governance-afspraken de positie van het bestuur in een geschil aanzienlijk versterkt.
Informatievoorziening: transparantie beschermt het bestuur
De minderheidsaandeelhouders verweten Centogene een gebrekkige informatievoorziening, met name over de fiscale gevolgen van de transactie. Door de verkoop van de aandelen in Centogene GmbH binnen een zogeheten holding period van zeven jaar liepen de oorspronkelijke aandeelhouders het risico op een aanzienlijke belastingaanslag in Duitsland. Dit betrof een fictieve vermogenswinst die zij feitelijk nooit hadden gerealiseerd.
De Ondernemingskamer stelde vast dat Centogene haar aandeelhouders via persberichten en filings bij de Amerikaanse beurstoezichthouder SEC periodiek op de hoogte had gehouden van alle relevante ontwikkelingen. In de toelichting bij de agenda voor de aandeelhoudersvergadering was het fiscale risico expliciet benoemd. Bovendien was in het oorspronkelijke beursprospectus al gewezen op mogelijke fiscale gevolgen en op de eigen verantwoordelijkheid van aandeelhouders om zich hierover te laten adviseren.
Daarnaast oordeelde de Ondernemingskamer dat er geen aanknopingspunten waren dat het bestuur of de commissarissen meer specifiek op de hoogte waren van de fiscale gevolgen voor deze groep aandeelhouders dan uit de beschikbare advisering bleek. De fiscaal adviseur had destijds de vennootschap geadviseerd, niet haar individuele aandeelhouders.
De les is helder. Als bestuurder bescherm je jouw positie door ruimhartig en tijdig te informeren, ook over risico's die niet alle aandeelhouders in dezelfde mate raken. En als aandeelhouder is het essentieel om bij complexe transacties met grensoverschrijdende fiscale aspecten zelfstandig juridisch en fiscaal advies in te winnen. Wie dat nalaat, kan achteraf moeilijk het bestuur verwijten dat het onvoldoende heeft gewaarschuwd.
Belangen van de minderheid: onderkend maar niet doorslaggevend
Een kernvraag in deze zaak was of het bestuur de belangen van de minderheidsaandeelhouders voldoende had meegewogen. De Ondernemingskamer oordeelde dat dit het geval was. Het fiscale risico was onderkend in de stukken voor de aandeelhoudersvergadering en kennelijk meegewogen bij de besluitvorming. Dat de afweging uiteindelijk niet in het voordeel van de minderheid uitviel, maakte het besluit niet onzorgvuldig.
Cruciaal daarbij was de financiële positie van de vennootschap. Crown had voldoende toegelicht dat uitstel van de transactie tot na afloop van de holding period geen optie was. De vennootschap verkeerde in een default-situatie onder een bestaande financieringsovereenkomst. Als de transactie niet was doorgegaan, zou de financiering onmiddellijk en volledig opeisbaar worden. Het enige alternatief was een faillissementsaanvraag van zowel Centogene als Centogene GmbH.
Een onafhankelijke Transaction Committee, bestaande uit drie onafhankelijke commissarissen, had de transactie positief beoordeeld. Een externe partij had een fairness opinion uitgebracht over de koopprijs. De aandeelhoudersvergadering had de transactie vervolgens met meerderheid van stemmen goedgekeurd.
De Ondernemingskamer benadrukte dat de beslissingen en het beleid van het bestuur met terughoudendheid moeten worden getoetst en dat het bestuur een zekere autonomie toekomt. Dit is een belangrijk signaal voor bestuurders: zolang je een zorgvuldig besluitvormingsproces doorloopt, de relevante belangen in kaart brengt en transparant communiceert, is er ruimte voor een afweging die niet iedere aandeelhouder bevalt.
Wat betekent dit voor jouw onderneming?
Deze uitspraak bevestigt dat het enquêterecht een hoge drempel kent. De Ondernemingskamer toetst niet of het bestuur de beste keuze heeft gemaakt, maar of er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid. Die nuance is wezenlijk.
Voor bestuurders en commissarissen biedt de uitspraak een duidelijk kader. Een goed gedocumenteerd besluitvormingsproces is de beste bescherming tegen aansprakelijkheid en enquêteverzoeken. Dat betekent: zorg voor een deugdelijke voorbereiding van ingrijpende transacties, schakel onafhankelijke adviseurs in, leg de afwegingen schriftelijk vast en informeer alle aandeelhouders tijdig en volledig over de risico's.
Voor minderheidsaandeelhouders is de boodschap tweeledig. Enerzijds biedt het enquêterecht een waardevol instrument om wanbeleid aan de kaak te stellen. Anderzijds is het geen middel om een zakelijk meningsverschil over de koers van de vennootschap te beslechten. Wie als aandeelhouder bezwaren heeft tegen de gang van zaken, doet er verstandig aan om die bezwaren vroegtijdig, schriftelijk en onderbouwd kenbaar te maken. Wacht je te lang of maak je geen gebruik van de beschikbare mogelijkheden (zoals het uitoefenen van stemrecht of het agenderen van onderwerpen), dan wordt het lastiger om achteraf met succes een procedure te starten.
Bij grensoverschrijdende transacties, zoals in deze zaak het geval was, spelen bovendien extra complexiteiten. Denk aan internationale fiscale gevolgen, de toepasselijkheid van buitenlandse beursregels en de vraag welke oproepingstermijnen gelden als een vennootschap in het buitenland is genoteerd. Het is verstandig om deze aspecten al in een vroeg stadium in kaart te brengen.
Hoe TK jouw bedrijf kan ondersteunen
Of je nu als bestuurder een complexe transactie voorbereidt of als aandeelhouder jouw rechten wilt waarborgen: juridische begeleiding in een vroeg stadium voorkomt geschillen en versterkt jouw positie als het toch tot een procedure komt. Het team Corporate & Commercial Litigation van TK heeft ruime ervaring met het begeleiden van ondernemingen bij vennootschappelijke geschillen, enquêteprocedures, aandeelhoudersconflicten en complexe transacties met een internationaal karakter.
TK kan je ondersteunen bij het inrichten van een zorgvuldig besluitvormingsproces dat bestand is tegen toetsing door de Ondernemingskamer. Daarnaast helpt TK bij het opstellen en beoordelen van transactiedocumentatie, governance-structuren en aandeelhoudersovereenkomsten. Mocht een geschil toch escaleren, dan beschikt het team over de proceservaring om jouw belangen effectief te verdedigen bij de Ondernemingskamer en andere rechterlijke instanties.
Wil je meer weten over jouw positie als bestuurder of aandeelhouder bij een ingrijpende transactie? Of wil je advies over de bescherming van minderheidsbelangen in jouw vennootschap? Het team Corporate & Commercial Litigation van TK helpt je graag verder. Neem vrijblijvend contact op met Michiel Teekens of één van de andere specialisten uit het team.